• Wim Callewaert

De Grote Reiger en de Piraat

Bijgewerkt: 28 sep 2019

Dit zou de titel van een sprookje of fabel kunnen zijn.


Het leven van zowel Fausto Coppi (1919-1960, ‘De Grote Reiger’) als Marco Pantani (1970-2004, ‘De Piraat’) was dan ook fabelachtig en leek bij momenten op een sprookje. Voor beiden helaas een sprookje dat veel te vroeg én als een nachtmerrie eindigde. Hun dood kwam onverwachts en de omstandigheden waarin ze overleden kunnen op zijn minst tragisch genoemd worden.


Coppi en Pantani hadden, behalve hun Italiaanse nationaliteit en hun droevig levenseinde, nog wel wat zaken gemeen: het waren fantastische klimmers die door hun aanvallende manier van koersen al tijdens hun leven waanzinnig populair werden. Maar tegenslag loerde altijd om de hoek: de carrière van beiden werd regelmatig onderbroken door blessures ten gevolge van valpartijen en aanrijdingen. Wanneer ze na zo’n periode van invaliditeit terug met winst aanknoopten, bereikte hun populariteit ongekende hoogten. Niet alleen brachten ze hun supporters in extase, ook de belangstelling voor de wielersport in het algemeen kende door hun prestaties en manier van koersen een geweldige boost.


Als Coppi in de aanval trok, noteerde journalist-schrijver Gianni Brera dat de grote reiger zijn vleugels had uitgeslagen. De grote neus van Coppi, zijn kippenborst en korte bovenlijf, met daaronder een stel lange dunne benen, riep inderdaad de associatie op met deze vogel. Coppi liep niet graag het risico in een sprint geklopt te worden en had een voorliefde voor de aanval. Als hij alleen de finish kon bereiken, was hij zeker van de zege. Onderweg genoot hij er natuurlijk van, zich sterker te weten dan zijn tegenstanders. Het solo-avontuur werd zijn handelsmerk. In de 17de etappe van de Giro 1949, een monsterrit over 254 km van Cuneo naar Pinerolo, met onderweg de beklimming van vijf zware Alpencols (Vars, Izoard, Madeleine, Montgenèvre, Sestriere) reed Coppi 192 km voor het peloton uit en won hij met een voorsprong van bijna 12 minuten op Gino Bartali. De Italiaanse reporter Mario Ferretti begon die dag zijn radio-uitzending met de woorden “Eén man alleen op kop. Zijn trui is hemelsblauw met wit. Zijn naam is Fausto Coppi.”




Coppi was vijf keer eindwinnaar in de Ronde van Italië en twee keer in de Tour. Bij ééndagswedstrijden in eigen land was hij vaak onklopbaar: hij won vijf keer de Ronde van Lombardije en drie keer Milaan-San Remo. Maar hij zegevierde ook in Parijs-Roubaix en de Waalse Pijl en werd in 1953 wereldkampioen in het Zwitserse Lugano. Coppi was eveneens een uitstekend baanrenner (wereldkampioen achtervolging in 1949) en een begenadigd tijdrijder. Hij won twee keer de Grand Prix des Nations, wat destijds gold als het officieuze wereldkampioenschap tijdrijden. In 1942 werd hij werelduurrecordhouder en bleef dit 14 jaar lang, tot in 1956 ene Jacques Anquetil het van hem overnam.


Coppi was een allrounder, Pantani een pure klimmer. Het palmares van beiden kan dan ook niet vergeleken worden. Voor Pantani is het vooral bij die legendarische dubbel Giro – Tour in 1998 gebleven. De Piraat is hiermee nog steeds de laatste renner die er in slaagde de Giro en de Tour in hetzelfde jaar te winnen. Contador (2015) en Froome (2018) hebben het geprobeerd, wonnen de Giro maar strandden vervolgens in de Tour respectievelijk op een vijfde en op een derde plaats. Dumoulin eindigde in 2018 zowel in de Giro als in de Tour als tweede.


Het palmares van Pantani is niet zo uitgebreid maar dat maakte hij ruimschoots goed met zijn ongebreidelde aanvalsdrift. Door zijn spectaculaire, agressieve manier van koersen bracht hij de hoogdagen uit de tijd van Bartali en Coppi terug tot leven en werd hij minstens even populair als dit legendarische duo. Als hij zijn bandana afgooide, gingen wielerliefhebbers op de puntjes van hun stoel zitten, want ze wisten dat dit gebaar de voorbode was van een eerste of beslissende demarrage van de Piraat.

Pantani verhief het klimmen opnieuw tot kunst en beperkte zich hierbij niet tot één modus operandi. In het beklijvende duel met Tonkov (Giro 1998) op de Plan di Montecampione, ging hij af en toe op de pedalen staan waarbij hij telkens zijn trapfrequentie verhoogde. Met een vijftal van deze schijnaanvallen sloopte hij de krachten van de Rus en nam hij in de twee slotkilometers nog een minuut op zijn dichtste belager in de algemene rangschikking. Naast dit subtiele kat-en-muis-spel kon Pantani ook op een meer drieste wijze in de aanval trekken. Bij zijn overwinningen op Alpe d’Huez in 1995 en 1997, zette hij al in de aanvangsfase van de slotklim het gas vol open en onderhield hij een moordend tempo zodat niemand nog op hem terug kon komen. Maar Pantani had niet het temperament om telkens de slotklim af te wachten om een beslissende demarrage te plaatsen. Als de omstandigheden zich er toe leenden, aarzelde hij niet om al van ver, een aanval van langere duur op te zetten. Dikwijls had hij zo’n aanval nodig om de achterstand die hij opliep in de vlakke aanloop van een ronde en in de tijdritten goed te maken en om te buigen tot winst. Zo ook in 1998 toen hij na winst in de Giro, met de vermoeidheid nog in het lijf, vrij slapjes aan de Tour begon. Na één week stond hij al vijf minuten na Ullrich geklasseerd. In de Pyreneeënritten nam hij echter twee minuten terug op de Duitser waardoor hij, met de Alpen in zicht, op drie minuten volgde in het algemeen klassement. Toen volgde de intussen legendarische Alpenetappe van Grenoble naar Les Deux Alpes waarbij, voorafgaand aan de slotklim, de Croix de Fer, de Télégraphe en de Galibier werden beklommen. Regen en mist waren van de partij, wat samen met het bergachtige decor en de strijd die zich ontwikkelde voor apocalyptische beelden zorgde. Pantani rook zijn kans om met een langgerekte en slopende aanval het klassement naar zijn hand te zetten. Op 5 km van de top van de Galibier trok hij in de aanval. Ullrich die net Leblanc, Escartin en Boogerd had teruggehaald, moest passen en verloor boven al 2’49”. Na de Galibier was het nog 43 km tot aan de finish. Pantani trok een regencape aan en liet zich in de afdaling terugzakken in een groepje met Massi, Rinero, Jimenez, Escartin en Serrano, waar voorbeeldig werd samengewerkt. Aan de voet van Les Deux Alpes keek Ullrich al aan tegen een achterstand van 4 minuten. Op de slotklim ontdeed Pantani zich vrij snel van zijn medevluchters en won hij de rit met bijna twee minuten voorsprong. Ullrich bolde als 25ste over de meet op net geen negen minuten van Pantani. De Piraat veroverde op Les Deux Alpes de gele trui en zou die niet meer uit handen geven zodat 33 jaar na Gimondi eindelijk weer een Italiaan de Tour won.


Met de dubbel Giro – Tour had Pantani zijn plaats bij de absolute top van het wielrennen opgeëist. In 1999 ging hij op dat elan verder en won hij in de Giro vier bergritten. Met nog twee ritten te gaan, had de Piraat een voorsprong van ruim vijf en een halve minuut op Savoldelli en meer dan zes minuten op Ivan Gotti. De zege kon hem niet meer ontglippen maar in de vroege ochtend van de voorlaatste wedstrijddag, in het skidorp Madonna di Campliglio, werd hij van zijn bed gehaald en na een medische controle, op basis van een te hoge hematocrietwaarde uitgesloten. Pantani heeft dit altijd als een onwaarschijnlijke onrechtvaardigheid beleefd en voelde zich het slachtoffer van een complot. Zijn verklaring tijdens een RAI-interview was helaas profetisch: “Ik heb heel wat ongelukken gehad, en ben steeds weer teruggekomen, maar hier kan ik niet tegenop.”


In 2000 won de Piraat nog twee etappes in de Tour en kon hij even een vuist maken tegenover Armstrong, maar daarna ging het snel in dalende lijn en nam hij steeds vaker zijn toevlucht tot cocaïne om de onmacht, twijfels en frustraties van zich af te zetten. Achterdocht zorgde ervoor dat hij zich steeds meer van de buitenwereld afzonderde. Pantani overleed op 14 februari 2004. Hij was 34 jaar en stierf in alle eenzaamheid op een hotelkamertje in Rimini, aan een overdosis. Hoewel intimi wisten dat de Piraat er slecht aan toe was, kwam zijn dood voor de meeste mensen vrij onverwachts en ging er een schok door de wielerwereld. De begrafenis in zijn thuisstad Cesenatico werd door ca. 20 000 mensen bijgewoond. Ruim twee en een half jaar later, werd er de “Spazio Pantani” geopend, een museum gewijd aan het leven van de Piraat. Vijfvoudig Tourwinnaar Miguel Indurain, nochtans niet de meest welbespraakte onder de renners, sprak zich in een interview aan de BBC heel mooi uit over Pantani: “Er zijn misschien renners die meer bereikt hebben dan hij. Maar zij zijn er nooit in geslaagd om de fans te bekoren zoals hij.”


Ook de dood van Coppi kwam onverwachts en veel te vroeg. De Campionissimo kon maar moeilijk afscheid nemen van zijn wielrennersbestaan en was op 40- jarige leeftijd nog steeds actief. Hij won nog een aantal baanwedstrijden maar op de weg moest hij zich tevreden stellen met ereplaatsen.

Aan het eind van het seizoen 1959 werd een kransje Franse renners uitgenodigd een criterium te gaan rijden in Opper-Volta, het huidige Burkina Faso. Op 11 december 1958 werd de republiek Opper-Volta opgericht, als een zelfbesturende kolonie van Frankrijk (de onafhankelijkheid zou volgen op 5 augustus 1960). Om de eerste verjaardag van de republiek te vieren zou op 13 december 1959 in de hoofdstad Ouagadougou een wielercriterium betwist worden. Aan Raphaël Geminiani werd gevraagd de Franse toprenners (Anglade, Anquetil, Bobet, Hassenforder, Rivière) warm te maken om deel te nemen. Toen Bobet door ziekte forfait moest geven, werd meteen aan Coppi gedacht om hem te vervangen. Coppi was een hartstochtelijk jager en de wild-safari die na het criterium werd georganiseerd, zal hem meer hebben aangetrokken dan het criterium zelf. Coppi werd tweede in die wedstrijd, na Anquetil. Het was snikheet in Opper-Volta en tijdens hun verblijf deelde Coppi de kamer met Geminiani. Van slapen kwam niet veel in huis want beiden werden voortdurend gestoken door muggen.

Tussen Kerstdag en Nieuwjaar, ruim een week na zijn terugkeer uit Opper-Volta, voelde Coppi zich erg moe. De huisarts hield het op griep maar toen op Nieuwjaardag de toestand van Coppi verslechterde, werd hij toch opgenomen in het ziekenhuis van Tortona. Het bloedonderzoek leverde niets bijzonders op en men ging verder met het toedienen van antibiotica en cortisone. Geminiani lag op dat moment in een ziekenhuis in Clermont-Ferrand, waar men ontdekte dat hij aan malaria leed. De broer van Geminiani verwittigde de arts in Tortona, maar die negeerde deze informatie en behandelde Coppi verder voor bronchitis, wat zijn dood wellicht nog heeft versneld.

Aan dit voor Coppi tragische verhaal werden we, bijna zestig jaar later, - spijtig genoeg – herinnerd door de gebeurtenissen rond tienvoudig wereldkampioen motorcross Stefaan Everts. Deze nam in november 2018 deel aan een liefdadigheidsrace: de “4 uur van Lubumbashi” in Congo. Tijdens zijn verblijf daar werd hij gestoken door de malariamug. Net als Coppi had Everts onvoldoende voorzorgen genomen tegen deze ziekte en net als bij Coppi interpreteerde men de eerste symptomen als die van een opkomende griep. Everts heeft het overleefd, maar moest intussen al zes tenen laten amputeren om botinfectie te voorkomen.


Coppi stierf – amper 40 jaar oud - op zaterdag 2 januari 1960 om kwart voor negen en werd twee dagen later begraven in zijn geboortedorp Castellania. In het boek “Eén man alleen op kop” van Wout Koster staat een foto (p. 173) van de indrukwekkende rouwstoet van duizenden mensen die ondanks de mist en het gure weer afscheid van hun held wilden nemen. De internationale sportpers besteedde uitgebreid aandacht aan de de dood van Coppi, sommigen omschreven hem als de grootste wielerkampioen aller tijden. Journalist Orio Vergani stelde een in memoriam op dat begon met de woorden: “De Grote Reiger heeft zijn vleugels dichtgeklapt”.


Door hun tot de verbeelding sprekende prestaties en hun vroegtijdig, dramatisch overlijden bezetten Coppi en Pantani een prominente plaats in de geschiedenis van het wielrennen en de legendevorming rond deze sport.

Over het leven van Coppi zijn tal van boeken en films verschenen en werd er zelfs een opera geschreven. Zijn geboortehuis werd omgedoopt tot museum en ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van zijn geboorte werd zijn geboortedorp Castellania in 2019 officieel omgedoopt tot Castellania-Coppi. Elk jaar wordt in de Giro een geldprijs uitgereikt – de Cima Coppi – voor de renner die als eerste voorbijkomt op het hoogste punt van die ronde. Ook Pantani heeft zijn museum. De “Spazio Pantani” werd in 2006 geopend naast het treinstation in Cesenatico en is een eerbetoon aan de superster die de Piraat is geworden. In zowat elke wielerwedstrijd op Italiaanse bodem zie je langs de kant van de weg de zwarte piratenvlaggen verschijnen waarmee supporters aangeven dat ze hun held niet zijn vergeten. Bijna elk jaar wordt in de Giro een etappe aan hem gelinkt en doorheen het land zijn tal van monumenten voor hem opgericht zoals het Marco Pantani memorial op de Colle della Fauniera, ook wel de Pantani-col genoemd. Maar ook de Tour is Pantani niet vergeten. Sinds 2011 staat er een monument voor de Piraat op 4 km van de top van de Galibier, ongeveer op de plaats waar hij zijn succesvolle demarrage plaatste die hem de ritzege en eindwinst in de Tour opleverde.



In een vervolg op deze blog, wil ik de Alpe d'Huez - beklimmingen van Coppi en Pantani met elkaar vergelijken. Beiden wonnen er ooit de etappe en overklasten hun tegenstanders tijdens de beroemde slotklim: Coppi in 1952, Pantani in 1995 en 1997. Wie van beiden stak toen het meest boven zijn concurrenten uit? In welke mate kunnen we daar iets zinnigs over vertellen, gezien hun overwinningen behaald werden in totaal verschillende wielertijdperken?


Bibliografie


O’Brien Colin, Giro d’Italia, Het machtige verhaal van de mooiste wielerkoers, Uitgeverij Brandt, Amsterdam, 2017

Koster Wout, Eén man alleen op kop, Uitgeverij De Arbeiderspers/Het Sporthuis, Amsterdam-Antwerpen, 2010

Pastonesi Marco (vertaling Pieter van der Drift), Pantani was een God, Uitgeverij Manteau, Antwerpen, 2016

Ros Martin, Koster Wout, De klimmers, Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam, 2007

62 keer bekeken2 reacties