• Wim Callewaert

Koers in tijden van corona

(Een selectieve terugblik op het wonderbaarlijke seizoen 2020)


Vorig jaar had ik het in mijn blog over de youngsters die ambitieus een hoofdrol kwamen opeisen zowel in de klassiekers als in het rondewerk. Deze trend zette zich verder in het door Covid-19 geteisterde 2020.

Het fors ingekorte wegseizoen met een snelle opeenvolging van wedstrijden (vaak vonden meerdere belangrijke wedstrijden op één dag plaats) en de sprankelende manier van koersen van diverse jonge talenten, resulteerde in één van de meest beklijvende en boeiende wielerseizoenen in decennia.


Een trend die zich helaas ook verderzette is die van de valpartijen met zware en minder zware gevolgen. De crash van Jakobsen tijdens de openingsrit van de Ronde van Polen staat op ons netvlies gebrand.

Tien dagen later (Ronde van Lombardije) dook Evenepoel het ravijn in en kwam ook aan zijn seizoen een einde. Na eerdere winst in de Ronde van San Juan, de Ronde van Burgos en de Ronde van Polen, was Evenepoel zich aan het klaarstomen voor zijn debuut in de Giro. Wat dit zou hebben opgeleverd, zullen we nooit weten, maar het hoeft geen betoog dat de verwachtingen hooggespannen waren.

De aanvangsfase van die Giro kende trouwens ook enkele serieuze valpartijen met de uitschakeling van favorieten Lopez en Thomas als gevolg.

Tijdens de Ronde van Vlaanderen – voor één keer de afsluiter van het “klassieke” seizoen – zagen we tenslotte Alaphilippe onderuitgaan. De Fransman liet tot op dat moment in de wedstrijd de beste indruk na en zijn tuimelperte zadelde ons met de onbeantwoorde vraag op hoe de koers zou zijn verlopen in een strijd met drie.

De wielersport zal nooit zonder valpartijen zijn, maar meer aandacht hebben voor de veiligheid van de renners en hieraan daadwerkelijk prioriteit geven bij het uittekenen parcoursen en organiseren van wedstrijden, zou heel wat leed kunnen vermijden.


Verder kunnen we alleen maar lof hebben voor de inspanningen van alle betrokkenen om de wedstrijden in deze barre corona-tijden alsnog te laten doorgaan. Begin deze zomer geloofde ik niet dat er in 2020 nog gekoerst zou worden. Dat we een ongelofelijke reeks bijzonder aantrekkelijke wedstrijden voorgeschoteld kregen, was helemaal buiten verwachting.


Een eerste vaststelling is dat in dit geteisterde seizoen, het niveau waarop de renners koersten, bijzonder hoog lag. Na elke bergrit zijn er lui die de klimtijden bijhouden en de wattages van de renners berekenen. Zij vielen van de ene in de andere verbazing. Natuurlijk kunnen de wind- en weersomstandigheden gunstig zijn geweest, maar als op meerdere dagen klimrecords worden gebroken, zoals in de Tour (zie Tabel 1), zal dit ook wel met het niveau waarop de renners koersten, te maken hebben.


Tabel 1


Misschien speelde de staat van frisheid na maanden van gedwongen rust (of in elk geval gebrek aan competitie) hierbij een rol? Of heeft de sterke lichting jongeren het niveau de hoogte ingejaagd door minder afwachtend te koersen?

Zelfs in de minder sterk bezette Giro werd op sommige beklimmingen stevig uitgepakt. Geoghegan Hart, Kelderman en Hindley reden op de Piancavallo ruim anderhalve minuut weg van het groepje met Nibali en Fuglsang. Nibali reed nochtans in ongeveer dezelfde tijd naar boven als drie jaar eerder toen hij volop meedeed voor de eindzege. Hij beweerde op basis van zijn vermogensdata dat hij er niet zo fel was op achteruit gegaan maar dat er in deze Giro ongelooflijk hard werd gekoerst.

De slotweek was superspannend, zelfs naar Giro-normen, en de leiderstrui wisselde nog drie keer van schouders. De verrassende Almeida voerde ruim twee weken het klassement aan en stond pas na de achttiende rit het roze af aan Kelderman. Deze zat intussen ook door zijn beste krachten heen en gaf op de voorlaatste dag de trui door aan zijn ploegmaat Hindley die in dezelfde tijd als

Geoghegan Hart geklasseerd stond maar door de honderdsten van seconden in de tijdritten het roze kreeg toegewezen. Helaas voor Hindley was er op de slotdag geen “criterium” maar stond er nog een tijdrit over 15,7 km op het programma. De betere tijdrijder Geoghegan Hart trok het laken naar zich toe en won de Giro met een verschil van 39 seconden.

Almeida, Kelderman, Hindley en Geoghegan Hart behoren (nog) niet tot de absolute top maar ze bewezen dat ook zonder de grote vedettes koers heel aantrekkelijk kan zijn.

Maar niet alleen de Giro was attractief, de meeste wedstrijden dit seizoen hadden een meer dan gemiddelde spankracht en waren boeiend om volgen. Het afwachtende koersen is er wat uit tegenwoordig. We merkten het vorig jaar al bij vooral van der Poel en Evenepoel, maar dit seizoen zagen we ook o.a. Van Aert, Alaphilippe, Hirschi, Pogacar en Carapaz offensief koersen. Blijven zij - na hun hemelbestorming - deze koersstijl trouw, dan zitten we gebeiteld voor enkele wielerseizoenen met spektakel van de bovenste plank.


De comeback van Wout Van Aert, na zijn zware val in de Tour van 2019, was een bijzonder heuglijk feit. Weinig renners hebben zo hun stempel gedrukt op dit seizoen als Van Aert. Na winst in de Strade Bianchi en Milaan - San Remo, etappewinst en groene trui in de Dauphiné Libéré, veroverde hij de nationale kampioenstitel in het tijdrijden en trok hij daarna richting Tour om te knechten voor Roglic. Dit belette hem niet om in de eerste week al twee ritzeges mee te pikken. In de daaropvolgende bergritten trok hij zo hard van leer dat onder meer Bernal en Quintana het tempo niet konden volgen. De Colombianen kampten dan wel met blessures, maar Van Aert bewees in elk geval dat hij ook het lange en zware klimwerk aankan.

Van Aert in de klimtijdrit op de

voorlaatste dag van de Tour

(Foto @DVDW)


Vorig jaar zag het er nog naar uit dat Mathieu van der Poel, na zijn dominantie in het veldrijden, ook op de weg Van Aert zou overklassen. De voorbije maanden heeft Van Aert deze perceptie bijgestuurd, zo niet omgekeerd.

van der Poel kende een moeilijke start van het seizoen. Hij werd dan wel kampioen van zijn land, maar dat woog niet op tegen de Italiaanse successen die Van Aert intussen had geboekt. Halfweg september won de Nederlander de voorlaatste rit in Tirreno-Adriatico, maar het was wachten tot begin oktober om de van der Poel aan het werk te zien zoals we hem kenden uit de campagne van 2019. In de laatste etappe van de Binck Bank Tour trok hij op 72 km van de finish in de aanval, reed 50 km solo, won de rit en ook het eindklassement. van der Poel was tot het uiterste gegaan en het was dan ook straf dat hij de volgende dag een zesde plaats haalde in Luik-Bastenaken-Luik op 14” van winnaar Roglic.

Met de klassiekers Gent-Wevelgem en de Ronde van Vlaanderen in zicht, leek van der Poel klaar om de handschoen op te nemen tegen Van Aert. Je voelde meteen dat het vooruitzicht op zo’n duel een extra dimensie gaf aan de beleving van veel koersliefhebbers.

De populariteit van de wielersport is altijd al gebaat geweest bij een – al dan niet door de media opgeklopte – rivaliteit tussen twee toprenners. Dit werkt vooral als de twee protagonisten dezelfde nationaliteit of eenzelfde achtergrond hebben zoals Bartali en Coppi, Anquetil en Poulidor of Bahamontes en Lorono.

Ook bij het duo Van Aert – van der Poel zijn alle voorwaarden vervuld om tot een rivaliteit te komen die massaal en hartstochtelijk gevolgd wordt.

Ze hebben niet dezelfde nationaliteit, maar komen allebei uit de Lage Landen, wat minstens even goed is. Een match België – Nederland zorgt voor extra pigment. Maar belangrijker is dat ze beiden in de cyclocross groot zijn geworden. Sinds mensenheugenis snoepen ze elkaar overwinningen af in de modder of in het zand. Nu ze elkaar ook op de weg bekampen, is het alsof ze altijd en overal tot elkaar veroordeeld zijn waarbij nu eens de ene, dan weer de andere, de bovenhand lijkt te halen.

Er zit dus al behoorlijk wat reliëf in de verhaallijn, wat bij volgers en supporters voor een intensere beleving van de rivaliteit zorgt. Toen Van Aert na afloop van Gent-Wevelgem vertelde dat hij zich geviseerd voelde door van der Poel die “mij liever zag verliezen dan zelf te winnen” was dit een perfecte voorzet waar media en supporters zich gretig in vastbeten. Hun duel, een week later, in de Ronde van Vlaanderen kon dan ook op massale belangstelling rekenen. van der Poel won, na een prangende spurt met Van Aert en niet toevallig zag ik toen op Twitter een podiumfoto uit de jeugdreeksen van de cross voorbijkomen met een beteuterd kijkende Van Aert naast een glunderende van der Poel die op het hoogste schavot stond.

Van Aert kreeg ook wel kritiek voor zijn sneer richting van der Poel, na Gent-Wevelgem. Wat mij betreft, hoeven de twee echter niet altijd even vriendelijk voor elkaar te zijn. Allebei weten ze dat een sterke rivaliteit hun populariteit en commerciële waarde alleen maar doet toenemen. Een stukje theater af en toe, hoort er gewoon bij.

Dat Van Aert meteen na de finish van de Ronde, zijn arm om de schouder van van der Poel legde om hem te feliciteren, wijst er op dat het met die rivaliteit nog meevalt bij de betrokkenen zelf.


En dan is er nog het Sloveense duo: Roglic en Pogacar. In vergelijking met Van Aert en van der Poel, vochten de Slovenen nog niet zo veel duels uit, maar wat ze in de Tour lieten zien, smaakt in elk geval naar meer.

Roglic wordt vaak verweten een saaie coureur te zijn, te berekend, met overwinningen die glans missen. Ik denk dat hij vooral heel goed zijn mogelijkheden en beperkingen kent en hier verstandig mee omspringt. We zagen eerder al dat in een koers over drie weken, het in de slotweek dikwijls wat minder is bij de Sloveen. Vorig jaar verloor hij zo de Giro aan Carapaz, en ook in de Vuelta dit jaar heeft hij tot op de laatste beklimming keihard moeten vechten om diezelfde Carapaz van de overwinning af te houden.

Ik vind het knap, wat Roglic doet, geen enkele overwinning is vanzelfsprekend, maar door zijn regelmaat sluit hij de UCI World Ranking wel voor het tweede opeenvolgende jaar af op de eerste plaats.


In de slotweek van de Tour hielt hij behoorlijk stand en op de lange en zware Col de la Loze was hij zelfs sterker dan Pogacar. Als deze de Tour nog wou winnen, moest hij al 57 seconden goedmaken in de klimtijdrit naar La Planche des Belles Filles (5,9 km à 8,5%) op de voorlaatste dag.

Maar Pogacar deed veel meer: in de 36 km lange chronorit boog hij zijn achterstand in de algemene rangschikking om tot een voorsprong van 59”. Roglic kon de schade aanvankelijk nog beperken: bij het tweede tussenpunt (na 30km), aan het einde van het vlakke gedeelte, lag hij 36” achter op Pogacar, wat betekende dat hij ruim 1 sec/km verloor op zijn jonge landgenoot. Dit hoefde nog geen drama te zijn, maar naarmate de klim vorderde, werd duidelijk dat het verlies in snel tempo opliep.

Wellicht schoven toen zowat alle tv-kijkers naar het puntje van hun stoel, want een remake van de thriller uit 1989 tussen Fignon en Lemond, zat er aan te komen.

In het besef dat hij zijn gele trui aan het verspelen was, kreeg Roglic een mentale dreun. Weken later werden zijn vermogensdata vrijgegeven en bleek dat hij 2 minuten lang ‘slechts’ 334 Watt leverde. Tegenover een ontketende Pogacar was dit uiteraard dodelijk en aan de finish was het verschil opgelopen tot 1’56”. Roglic werd uiteindelijk vijfde in die tijdrit, maar op de klim zelf klokte hij slechts de elfde tijd en verloor hij 13 sec/km op zijn landgenoot!

De omwenteling die Pogacar teweegbracht in de tijdrit, was voor mij dé prestatie van het voorbije seizoen. Dumoulin en Porte vervolledigden die dag het podium, maar gaven wel 1’21” toe.

Zelfs Lance Armstrong was onder de indruk en sprak op Twitter over één van de beste individuele prestaties die hij ooit had gezien in het wielrennen. Anderen namen het woord “buitenaards” in de mond en insinueerden dat dit niet mogelijk was zonder dopinggebruik. Was de tijdrit van Pogacar inderdaad zo uitzonderlijk dat er enkel met superlatieven of verdachtmakingen op gereageerd kon worden?


Om het niveau van een prestatie in te schatten, vergelijk ik de winnaar met zijn sterkste concurrenten. Hoeveel beter was hij? Standaard vergelijk ik met 10% van het deelnemersveld, de 10% sterkste tegenstanders.

In Tabel 2 heb ik dat gedaan voor zowel de tijdrit van Lemond uit 1989 als die van Pogacar uit de voorbije Tour.


Tabel 2


De tijdrit van Lemond kwam in mijn boek “Met kop en schouders” al uitvoerig aan bod: op zijn aerodynamische fiets met stuurbeugel (wat toen een nieuwigheid was in de Tour) reed hij zijn beste tijdrit ooit, maar de sterkste tijdritten van Coppi, Anquetil, Merckx en later ook van Indurain, Ullrich en Armstrong, waren toch nog van een hoger niveau[1]. De rit van Lemond was beregoed, maar ongeveer 1 op 5 van de naoorlogse tijdritwinnaars in de Tour haalden dit niveau.

Lemond was 4,40% sneller dan de gemiddelde tijd van zijn 10% sterkste concurrenten (zie Verschil onderaan Tabel 2), bij Pogacar was het verschil met zijn concurrenten 4,52%. De Sloveen stak dus iets meer boven zijn tegenstanders uit dan Lemond, maar onvoldoende om van een echt niveauverschil met de Amerikaan te spreken.

Deze vergelijking gaat echter niet helemaal op. De tijdrit in 1989 was volledig vlak en werd door Lemond afgemaald aan een gemiddelde snelheid van 54, 5 km per uur. Bij Pogacar ging het om een klimtijdrit die hij won met een gemiddelde snelheid van 38,8 km per uur. Nu is het eenmaal zo dat hoe zwaarder een wedstrijd is, hoe groter de verschillen zijn (ook procentueel) die de toppers tot stand kunnen brengen.


Pogacar op weg naar dubbele winst (Foto @DVDW)

Als we de tijdrit van Pogacar analyseren, merken we trouwens dat hij niet zozeer tijdens de vlakke kilometers, maar wel op de slotklim het verschil maakte. Aan het eind van het vlakke gedeelte (tussenpunt 2) lag hij één seconde achter op Dumoulin die daar de beste tijd klokte. Terwijl de meeste toppers aan de voet van de klim van fiets wisselden, bleef Dumoulin op zijn tijdritfiets en verloor hij 1’22” tijdens de slotklim. Of die tijdritfiets een verstandige keuze was, laat ik in het midden. Feit is dat niet alleen Dumoulin maar alle toppers tijdens de klim door Pogacar op een hoopje werden gereden. Richie Porte was de enige die er minder dan 5 sec/km verloor. De verbazende Wout Van Aert reed de derde beste klimtijd maar verloor toch al 7 sec/km op het Sloveense talent.

Pogacar klom 6,69% sneller dan zijn sterkste concurrenten (zie Tabel 3). Dat is een gigantisch verschil en kan inderdaad als zeer uitzonderlijk worden omschreven.


Tabel 3


Dit blijkt ook uit een vergelijking van zijn klim met de acht pure klimtijdritten (deze zonder vlakke kilometers, waarbij dus uitsluitend geklommen werd) uit de naoorlogse Tourperiode.

In Tabel 4 heb ik de vier sterkste overwinningen in die pure klimtijdritten naast elkaar geplaatst, met onderaan telkens het verschil ten opzichte van hun sterkste concurrenten.


Tabel 4


Met Bahamontes (2X), Gaul en Armstrong (zege die hij achteraf moest inleveren) zijn het klinkende namen. Blijkt dat enkel Bahamontes in 1959 op de Puy de Dôme nog een groter verschil bewerkstelligde. De Spanjaard was toen 31 jaar oud en op het toppunt van zijn kunnen. Hij won ook de Tour dat jaar.

Pogacar won de tijdrit twee dagen vóór zijn 22-ste verjaardag. Het is dus werkelijk fenomenaal wat hij toen presteerde. Bovendien werd hij een jaar eerder (Vuelta 2019) in een tijdrit over dezelfde afstand nog op anderhalve minuut gereden door Roglic. Toen ging het wel om een vlakke tijdrit, maar de progressie die Pogacar het voorbije jaar maakte, is enorm. Waarschijnlijk heeft hij aan zijn tijdrit gewerkt, maar het geeft toch vooral aan dat de Sloveen een uitzonderlijk talent is.

Hopelijk brengt hij de komende jaren bevestiging hiervan en krijgen we een boeiende confrontatie met dat andere uitzonderlijke talent Remco Evenepoel….


Het zou wat zijn: duels tussen Van Aert en van der Poel in de klassiekers en tussen Pogacar en Evenepoel in de Tour of in een andere grote ronde.

Dit én een coronavrij 2021, daar wil ik op Oudejaarsavond het glas op heffen!


[1] Zie “Met kop en schouders”, p. 63 en p. 91-95

26 keer bekeken