• Wim Callewaert

Youngsters in het peloton

Bijgewerkt: 20 nov 2019

Het voorbije wegseizoen zullen we ons ongetwijfeld herinneren als één waarin een bijzonder getalenteerde lichting jonge renners een prominente plaats in het profpeloton opeiste en dit bezegelde met spraakmakende successen.


Maar 2019 is voor ons ook het jaar waarin één van die talenten ons voor altijd werd ontnomen. Na een verschrikkelijke val in de Ronde van Polen liet Bjorg Lambrecht, amper 22 jaar, het leven. Bjorg was niet het type renner dat de overwinningen aan elkaar reeg, maar hij maakte jaar na jaar progressie en won in 2019 het jongerenklassement in de Dauphiné. Een doorbraak zat er aan te komen, het heeft helaas niet mogen zijn….


Ook Wout Van Aert kwam zwaar ten val en beseft dat hij van geluk mag spreken, al heeft hij een lange revalidatie voor de boeg. Van Aert (15-09-1994; 25 jaar) had in het verleden al mooie dingen laten zien, maar de bevestiging van zijn positie aan de top kwam er in 2019. Hij won twee ritten én het puntenklassement in de Dauphiné en werd daarna Belgisch kampioen tijdrijden. In de Tour won hij met Jumbo-Visma de ploegentijdrit, maar de ogen waren vooral op hem gericht toen hij in de 10de rit de massasprint won vóór kleppers als Viviani, Ewan, Matthews en Sagan. Drie dagen later kwam hij in de individuele tijdrit zwaar ten val en volgde hij de rest van het seizoen noodgedwongen vanaf de zijlijn. Hopelijk kan hij in 2020 op eenzelfde niveau terugkeren.


Waar we Van Aert tot de oudsten van de nieuwe lichting kunnen rekenen, is Remco Evenepoel (25-01-2000, nog net geen 20 jaar) er ongetwijfeld de benjamin. Evenepoel maakte een fantastisch debuut bij de profs: winst in de Ronde van België en de Classica San Sebastian, Europees kampioen tijdrijden en vice-wereldkampioen in dezelfde discipline. Belgische supporters én media overstelpen Evenepoel met superlatieven en leggen torenhoge verwachtingen op zijn schouders. Ik hoop dat er een nuchtere kop op dat sterke lijf staat, want de renners waarmee hij in zijn carrière zal geconfronteerd worden, zijn niet van de minsten.


Zeker in de klassiekers zal Mathieu van der Poel (19-01-1995, bijna 25 jaar) een te duchten tegenstander zijn. De alleskunner van der Poel is vijf jaar ouder dan Evenepoel en nam al sinds 2014 sporadisch deel aan wedstrijden bij de elite. Maar pas in 2019 volgde zijn eerste grote campagne op de weg, met debuut in de World Tour. In het voorjaar werd hij 4de in Gent-Wevelgem en de Ronde van Vlaanderen en won hij Dwars door Vlaanderen, de Brabantse Pijl en de Amstel Gold Race. Tijdens de zomer dook van der Poel het mountainbike-circuit in, waar hij ook enkele wedstrijden won, waarna hij midden augustus zijn wegseizoen vervolgde en in september drie ritten én de eindzege in de ronde van Groot-Brittannië wegkaapte. Volgens Pro Cycling Stats betwistte van der Poel in 2019 30 wedstrijden op de weg waarvan hij er 10 won. Dat is één op drie! Merckx kan die statistiek ook voorleggen. Voor José De Cauwer is dat altijd al hét argument geweest om vergelijkingen tussen Merckx en de hedendaagse wielerkampioenen af te blokken. Natuurlijk is de vergelijking tussen Merckx en van der Poel op dit ogenblik prematuur. Voor Merckx is die 1 op 3 een carrièregemiddelde: hij deed dit tien jaar lang en reed per jaar ook een pak meer koersen dan van der Poel in 2019. Anderzijds koerste Merckx in een tijd waarin specialisatie nog niet op de voorgrond trad, en kon hij domineren in zowel de klassiekers als het rondewerk. In de grote rittenwedstrijden moet van der Poel nog alles bewijzen maar ik sluit niet uit dat hij ooit schittert in een grote ronde.


De offensieve manier van koersen van zowel van der Poel als Evenepoel is een belangrijke meerwaarde voor het wielrennen dat in het oortjestijdperk al te vaak te lijden heeft onder voorspelbaarheid en angst, waarbij de koers pas diep in de finale ontploft. De Belg en de Nederlander zitten er niet mee in om al op 50 km van de finish de wedstrijd open te breken. Dit leidde al tot heel wat mooie koersfases met – voor mij – als absolute hoogtepunt, de spectaculaire winst van van der Poel in de Amstel Gold Race.


Het wereldkampioenschap op de weg in Yorkshire had een eerste confrontatie tussen Evenepoel en van der Poel kunnen opleveren. Evenepoel verdween echter uit wedstrijd na een poging de gevallen Gilbert terug bij het peloton te brengen en bij van der Poel ging het licht uit op 10 km van de finish waardoor hij uit de beslissende ontsnapping verdween. Dit wereldkampioenschap werd uiteindelijk verrassend gewonnen door een andere youngster, Mads Pedersen (18-12-1995, vierentwintig jaar). Pedersen liet zich eerder al opmerken in de Ronde van Vlaanderen 2018, door als enige van de vroege vluchters stand te houden in de finale en tweede te worden na Terpstra. Het jaar daarvoor was hij ook al Deens kampioen en eindwinnaar in de Ronde van Denemarken geworden. Het voordeel van de anonimiteit is Pedersen nu wel kwijt. Vanaf 2020 zal er meer naar hem gekeken worden en zal hij het als medefavoriet moeten kunnen waarmaken.


Ook in het rondewerk is de jonge generatie met een overname bezig. Richard Carapaz (29-05-1993) won op zijn zesentwintigste verrassend de Ronde van Italië vóór Nibali en Roglic. Qua leeftijd kunnen we Carapaz moeilijk nog bij de nieuwe lichting rekenen maar hij is een laatbloeier die pas in 2017 zijn debuut bij de profs maakte. Zijn Giro-zege droeg zeker bij tot het besef dat ook in de grote rondes de vernieuwing aan de top is ingezet.


Terwijl Carapaz de eerste Ecuadoraan is die zegevierde in een grote ronde, werd Egan Bernal (13-01-1997, straks 23 jaar) deze zomer de eerste Colombiaan die de Tour won. Bernal had met één aanval aan het eind van de Tour genoeg om het geel te veroveren en naar Parijs te brengen. Naarmate de Tour vorderde, hield men steeds meer rekening met mogelijke eindwinst voor Alaphilippe die in de heuveletappes en in de tijdrit een voorsprong had opgebouwd. Net voor het slotweekend kraakte de Fransman echter. Tijdens de beklimming van de Col de L’Iseran, in de op twee na laatste rit, sprong Bernal op 5 km van de top weg uit de groep der favorieten. Boven keek Alaphilippe al aan tegen een achterstand van ruim twee minuten en het is maar de vraag of hij deze situatie nog had kunnen rechttrekken in het vervolg van de etappe. Na de top van de Iseran was het in principe nog 37 km tot aan de finish met als sluitstuk de Montée de Tignes, een col van eerste categorie. In de afdaling kreeg Bernal het gezelschap van vroege vluchter Simon Yates die in deze Tour al twee etappes won en in wie Bernal wellicht een bondgenoot gevonden zou hebben om samen voorop te blijven. Maar door een wolkbreuk net voor de passage van de renners, was het niet meer verantwoord om de afdaling van de Iseran te laten doorgaan en werd de wedstrijd stilgelegd. Voor de algemene rangschikking werden de tijden bovenop de Iseran genoteerd. Bernal veroverde het geel en had nu een voorsprong van 48” op Alaphilippe. De Fransman zou de volgende dag helemaal kraken en nog eens drie minuten verliezen. Uiteindelijk werd ploegmaat Thomas tweede in Parijs op 1’11”. Kruijswijk werd derde op anderhalve minuut en vervolledigde het podium.

Bernal is meteen de jongste naoorlogse Tourwinnaar. Eerder op het jaar won hij ook al Parijs-Nice en de Ronde van Zwitserland. Bijzonder aantrekkelijk aan die nieuwe generatie is trouwens het feit dat ze verdomd graag koersen en niet op een koersdag meer of minder kijken. Terwijl we na de Tour van Thomas nauwelijks nog iets hoorden, tekende Bernal present in de meeste Italiaanse najaarsklassiekers en won hij de Ronde van Piemonte.


Egan Bernal bij de start van de Giro dell'Emilia

(@Norman Vanoverbeke)


Veel waarnemers verwachten dat de Colombiaan in de Tour begonnen is aan een reeks. Ik sluit dit zeker niet uit maar denk hierbij spontaan aan Ullrich en Fignon die amper iets ouder waren bij hun eerste Tourwinst en bij wie de teller om diverse redenen op één, respectievelijk twee Tourzeges is blijven staan. Voor Bernal zal de sterke concurrentie ongetwijfeld meespelen, niet in het minst deze van zijn landgenoten. De hoogdagen van Quintana lijken voorbij, maar Colombia levert met de regelmaat van een klok toptalenten af, die niet alleen in het hooggebergte op de voorgrond treden, maar die ook een wedstrijd over drie weken aankunnen en in de tijdritten de schade beperken. Ongetwijfeld zal Bernal in de grote rondes ook de strijd moeten aanbinden met de drie jaar jongere Evenepoel.


Last but not least zal Bernal oog moeten hebben voor het Sloveense supertalent Tadej Pogacar (21-09-1998, 21 jaar). Pogacar debuteerde dit jaar bij de profs en won meteen de Ronde van de Algarve en de Ronde van Californië. In het najaar werd hij derde in de Vuelta, nadat hij er drie ritzeges wegkaapte en in de voorlaatste rit een formidabele solo uit zijn benen schudde. Deze solo van Pogacar - meer nog dan de aanval van Bernal op de Iseran in de slotfase van de Tour (door de weersomstandigheden werd de etappe ingekort) - was voor mij de meest begeesterende prestatie van een youngster in één van de grote rondes. Pogacar begon al aan zijn solo tijdens de beklimming van de Puerto de Pena Negra. Op 4,5 km van de top sprong hij weg uit het groepje der favorieten, haalde in een mum van tijd de twee vluchters Geogeghan Hart en Guerreiro in en liet hen meteen ter plekke. Hij klom werkelijk formidabel want op de top van de Pena Negra had hij een voorsprong van 1’40” op de favorieten! Maar misschien was zijn vervolg nog straffer: tijdens de afdaling en in de slotfase over een geaccidenteerd parcours gaf hij slechts een handvol seconden prijs op zijn achtervolgers. Na een solo van bijna 40 km won Pogacar zijn derde etappe in deze Vuelta met ruim anderhalve minuut voorsprong waardoor hij zich verzekerde van een podiumplaats na Roglic en Valverde.

In Tabel 1 heb ik de klim van Bernal (Iseran) met die van Pogacar (Pena Negra) vergeleken.


Tabel 1


Het betreft hier niet de rituitslag maar een overzicht van de snelste klimtijden. Vooraf dient opgemerkt dat de cols zelf totaal verschillend zijn. De beklimming van de Iseran is 12,9 km lang met een gemiddeld stijgingspercentage van 7,5 %, waarbij een hoogteverschil van 968 meter wordt overbrugd. De Pena Negra is een meer lopende col: 14,8 km à 5,7 %, hoogteverschil 845 meter. Zowel Bernal als Pogacar reden weg uit de groep met favorieten op 4,5 à 5 km van de top en slaagden er in nauwelijks een kwartier tijd in een mooie voorsprong bijeen te fietsen. Over de volledige klim was Bernal 5,23 % sneller dan zijn 10 % sterkste concurrenten (P10%). Voor Pogacar was dat 4,60%. Op zo'n jonge leeftijd 5% sneller klimmen dan je tegenstanders, is bijzonder knap, want ik ga ervan uit dat zowel Bernal als Pogacar nog groeimarge hebben. In mijn boek over de Tour[1], heb ik een Tabel opgenomen met de sterkste slotbeklimmingen uit de periode 2008 – 2017. Enkel grote namen als Sastre, Contador, Froome, Quintana en Nibali, staken in die periode op een slotklim meer boven hun tegenstanders uit dan Bernal op de Iseran.

Bekijken we de aanval zelf, dan reed Pogacar 22 seconden per kilometer sneller dan zijn tegenstanders. Door de vele vroege vluchters op de Iseran is de berekening voor Bernal iets moeilijker maar tijdens zijn aanval nam hij zo’n 15 à 16 seconden per kilometer op zijn 10 % sterkste concurrenten.

Het wordt in elk geval uitkijken naar – en hopelijk ook smullen van - het eerste klimduel tussen Bernal en de twintig maanden jongere Pogacar! En ook al doet de organisatie van de Tour er tegenwoordig alles aan om het aantal tijdritkilometers te beperken, om een grote ronde te winnen moet men ook een degelijke tijdrit in de benen hebben. Hoe zit het op dat vlak bij Bernal en Pogacar?

Zowel de Tour als de Vuelta bevatten een relatief vlakke tijdrit ongeveer halfweg de ronde. Tijdens de dertiende Tourrit werd in Pau over een afstand van 27,2 km tegen de klok gekoerst. Alaphilippe won en haalde een gemiddelde van 46,6 km per uur. Hij ging Geraint Thomas met 14” en Thomas De Gendt met 36” vooraf. Bernal was 23ste op 1’36” van Alaphilippe.

In de tiende etappe van de Vuelta trok men eveneens naar Pau voor de individuele tijdrit Jurancon - Pau, over 36,2 km. Roglic reed 46,1 km per uur gemiddeld en haalde het vóór Bevin en Cavagna. Pogacar was 11de op 1’29” van Roglic. In Tabel 2 heb ik beide tijdrituitslagen onder elkaar gezet.


Tabel 2

Nemen we de 10 % sterkste concurrenten van de tijdritwinnaar als referentiegemiddelde, dan stellen we vast dat Bernal met zijn 23ste plaats 1,79 % trager is, terwijl Pogacar ongeveer op dat gemiddelde zit (-0,10 %). De betere prestatie van Pogacar kunnen we niet zomaar toeschrijven aan een niveauverschil tussen de Tour- en de Vuelta renners. Bekijken we de uitslag in detail dan zien we inderdaad dat Oliveira in de Tourchrono pas elfde was en in de Vuelta vijfde. Daartegenover staat dan De Gendt die in de Tourtijdrit derde werd en in die van de Vuelta pas zevende. Het Movistar duo Valverde – Quintana strandde in beide tijdritten op bijna dezelfde plaats: Valverde 14de in de Tour en 13de in de Vuelta (terwijl hij streed voor het eindpodium), Quintana 28ste in de Tour en 27ste in de Vuelta.

Op basis van deze gegevens is het voor mij duidelijk dat Pogacar de betere rouleur is. Mijn prognose op dit ogenblik is dan ook dat als de Sloveen al tijd zou verliezen op Bernal in het hooggebergte, hij dit voldoende kan compenseren met zijn betere tijdritbenen.


Maar volgend seizoen zijn beiden een jaartje ouder en zullen ze ongetwijfeld progressie hebben gemaakt. Dan kan mijn prognose rustig de prullenmand in want het wielrennen moet vooral blijven verrassen. Wat de youngsters dit jaar hebben gedaan was pure reclame voor de sport. Hopelijk leidt dit op termijn tot een hernieuwde, grotere populariteit. Laat 2020 de bevestiging brengen van al dat goeds!











[1] Met Kop en Schouders, 2018, p. 185

31 keer bekeken